Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

1. Inleiding

De paragraaf weerstandsvermogen gaat in op de vraag in welke mate de provincie in staat is om de financiële gevolgen van risicos op te kunnen vangen. Dit is van belang om in de begroting een zo betrouwbaar mogelijk beeld te kunnen geven van de financiële positie van de provincie. De paragraaf bevat een overzicht van relevante risicos (gekwantificeerd in euros) en van de beschikbare weerstandscapaciteit (dit zijn de middelen die beschikbaar zijn of gemaakt kunnen worden om de financiële gevolgen van risicos, als deze zich daadwerkelijk voordoen, op te vangen). Daarnaast wordt het weerstandsvermogen berekend. Dit is een kengetal dat wordt berekend door de weerstandscapaciteit te delen door de in euros gekwantificeerde omvang van de risicos. Met dit kengetal kunnen uitspraken worden gedaan over de mate waarin de provincie in staat is om de financiële gevolgen van risicos op te kunnen vangen.

De paragraaf is als volgt opgebouwd:

  • Het beleid omtrent weerstandsvermogen, weerstandscapaciteit en risicos (zie 2.).
  • Berekening van het weerstandsvermogen (zie 3.).
  • Overzicht van de weerstandscapaciteit (zie 4.).
  • Overzicht van relevante risicos (zie 5.).

 

2. Beleid omtrent weerstandsvermogen, weerstandscapaciteit en risicos

Het beleid is vastgelegd in de door PS vastgestelde beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement. Medio 2012 is deze nota herzien.[16] De beleidsnota bevat onder andere de volgende beleidsregels:

  • Tweemaal per jaar (bij begroting en jaarrekening) een inventarisatie van relevante risicos.
  • De wijze waarop de weerstandscapaciteit is opgebouwd en wordt ingezet (zie 4.).
  • De algemene reserve dient minimaal € 30,0 mln te bedragen.
  • De provincie streeft naar een weerstandsvermogen van minimaal twee (dat wil zeggen dat voor elke euro aan gekwantificeerde risicos minimaal twee euro aan weerstandscapaciteit beschikbaar is of beschikbaar gemaakt kan worden).

Met ingang van het begrotingsjaar 2013 is het beleid voor de inzet van weerstandscapaciteit aangescherpt. Als een risico zich daadwerkelijk voordoet zal voordat een beroep gedaan kan worden op de algemene middelen eerst een oplossing gevonden dienen te worden binnen het betreffende begrotingsdoel.

 

3. Weerstands­vermogen

Op basis van de huidige stand van zaken komt Zuid-Holland op een weerstandsvermogen van 8,2.

Dit kengetal wordt berekend door de incidentele weerstandscapaciteit (€ 127,7 mln) te delen door de gekwantificeerde omvang van de risicos (€ 15,7 mln). Ten opzichte van de Jaarrekening 2011 is het weerstandvermogen iets gedaald. Dat komt met name door een afname van de incidentele weerstandscapaciteit (de omvang van de risicos is nagenoeg gelijk gebleven). Bij de beoordeling van de omvang van het weerstandsvermogen dient wel in ogenschouw te worden genomen, dat nog sprake is van een aantal onzekerheden, waarvan de financiële omvang vooralsnog niet te kwantificeren is. Hierbij gaat het onder andere om de financiële gevolgen van aanvullende rijksbezuinigingen en de afloop van het ILG-dossier.

 

4. Weerstands­capaciteit

In de beleidsnota wordt een onderscheid gemaakt tussen de incidentele weerstandscapaciteit (die wordt ingezet om de incidentele, financiële gevolgen van risicos op te vangen) en de structurele weerstandscapaciteit (die wordt ingezet om de structurele, financiële gevolgen van risicos op te vangen). De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit de algemene reserve en de programmareserves (voor zover hier geen juridisch afdwingbare verplichtingen op rusten). De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit de post onvoorzien, het gemiddelde, meerjarig begrotingssaldo en de onbenutte belastingcapaciteit (in combinatie met bezuinigingen). Als een risico zich voordoet zal voordat een beroep gedaan wordt op de algemene middelen (post onvoorzien, algemene reserve, begrotingsruimte) eerst een oplossing dienen te worden gezocht binnen het betreffende begrotingsdoel.

Middelen

(bedragen x € 1 mln)

Incidenteel

Structureel

 

2013

2014

2015

2016

2013

2014

2015

2016

Algemene reserve

33,8

33,8

33,8

33,8

-

-

-

-

Programmareserves

95,0

83,0

77,2

72,8

-

-

-

-

Post onvoorzien

-

-

-

-

0,5

0,5

0,5

0,5

Begrotingssaldo

-

-

-

-

0,0

2,3

3,1

22,8

Onbenutte belastingcapaciteit

-

-

-

-

40,1

50,5

60,0

70,1

Totaal

128,8

116,8

111,0

106,6

40,6

53,3

63,6

93,4

Algemene reserve

De algemene reserve heeft een omvang van € 33,8 mln. Dit is in overeenstemming met de in de herziene beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement voorgeschreven minimumomvang van € 30,0 mln.

Programmareserves

Ultimo 2013 bedraagt de stand van de programmareserves € 235,6 mln. Op basis van de huidige inzichten wordt ingeschat dat circa 60 procent van dit bedrag beklemd wordt door middel van juridische verplichtingen. Onderscheidend criterium hierbij is dat gereserveerde middelen op basis van een PS-besluit kunnen worden vrijgespeeld (budgetrecht van de Staten), zonder dat een derde zich kan beroepen op juridische verplichtingen. Dit betekent dat in 2013 indien nodig een bedrag van maximaal € 95,0 mln beschikbaar gemaakt kan worden als weerstandscapaciteit als risicos zich daadwerkelijk voordoen. Deze middelen zijn overigens wel rechtstreeks gekoppeld aan te realiseren beleidsdoelstellingen op basis van eerdere PS-besluitvorming.

 

5. Inventarisatie risicos

De begroting bevat een overzicht van de relevante risicos met een maximale impact van € 1,0 mln of meer; de risicos met een maximale impact van tussen de € 0,1 en € 1,0 mln zijn opgenomen in de Productenraming.

 

5.1 Ontwikkelingen ten opzichte van de vorige inventarisatie

Ten opzichte van de vorige inventarisatie zijn er de volgende nieuwe risicos aangemeld:

  • Financieel risico subsidie RAS.
  • Financieel risico als gevolg bij uittreding GR Delft-Noord.
  • Deelname risico ROM-D Capital BV.

Overige actuele ontwikkelingen zijn:

  • Het risico kosten verwijdering teerhoudend asfalt/PAKs komt te vervallen; de kosten voor de verwijdering zijn opgenomen in de nota budgetbehoefte beheer en onderhoud en worden gedekt uit doel 2.1 (Zorg voor provinciale infrastructuur).
  • Het risico hogere projectkosten als gevolg van scopewijzigingen RGL-oost komt te vervallen in verband met de recente besluitvorming over HOV-net. Streven is om in 2012 een integraal dekkingsvoorstel voor te leggen, waarin ook wordt aangegeven hoe met risicos wordt omgegaan. De beschikbare dekking in relatie tot het gebiedsbudget is hierbij taakstellend.
  • Op basis van nieuwe inzichten is het risico lagere opbrengsten MRB gekwantificeerd (in de Jaarrekening 2011 was dit risico nog als niet-kwantificeerbaar opgenomen).
  • Hetzelfde geldt voor de risicos PMR 750 ha en meerkosten Meeslouwerplas (in beide gevallen wordt de kans van optreden overigens als nihil ingeschat); ook het risico mogelijke schadeclaim Zevenhuizerplas is nu (op basis van nieuwe inzichten) als kwantificeerbaar opgenomen.
  • Het risico bezwijken bijzondere constructies is als niet-kwantificeerbaar opgenomen (in de jaarrekening was het nog opgenomen als kwantificeerbaar risico); reden is dat geconstateerd is dat er nader onderzoek plaats moet vinden om tot een betrouwbare impactbepaling te komen.
  • De volgende risicos worden in verband met de verwachte beperkte materiële omvang (maximale schade tussen de 0,1 en 1,0 mln) opgenomen in de Productenraming: schadeclaim boomkwekerij, uitbetalen obligaties 1957/1959 en noodzakelijk beroep op aansprakelijkheidsverzekering (Eerder waren deze risicos nog als niet-kwantificeerbaar opgenomen in jaarrekening).

 

5.2 Overzicht kwantificeerbare risicos

Dit betreft risicos waarvan zowel de maximale schade als de kans van optreden kwantificeerbaar zijn. Onderstaande tabel bevat een overzicht van deze risicos (geordend naar kans van optreden/omvang).

Naam risico

Incid./ truct.

Max. Schade

(mln €)

Kans

optreden

Omvang

(mln €)

Risicotermijn

frequentie

1. Gevolgschade als afvalverwerkingsbedrijf niet meer aan vergunningsplicht kan voldoen

i

20,0

0-25%

2,5

4

> 1

2. Mogelijke schadeclaim ontgronding Zevenhuizerplas

i

20,0

0-25%

2,5

4

1

3. Lagere opbrengsten MRB

 

6,0

10,0

25-50%

n.b.

2,3

n.b.

4

> 4

> 1

4. Claim Hornbach, gemeente Alblasserdam

i

18,5

0-25%

2,3

4

1

5. Garantstelling personenvervoer over water

i

10,9

0-25%

1,4

4

1

6. Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

i

10,0

0-25%

1,3

4

> 1

7. Niet tot uitvoering komende grote infraprojecten

i

6,8

0-25%

0,9

4

> 1

8. Financieel risico subsidie RAS

i

6,0

0-25%

0,8

< 4

1

9. Omgevingsrisicos vergunningverlening en -handhaving

i

5,0

0-25%

0,6

4

> 1

10. Volledige honorering subsidieaanvraag Voordelta

i

4,5

0-25%

0,6

< 4

1

11. De Europese commissie kan subsidiabiliteit uitgaven betwisten

i

4,4

0-25%

0,5

4

1

12. Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

i

46,4

≈ 0

0,0

> 4

1

13. Meerkosten PMR 750 hectare

i

22,0

≈ 0

0,0

> 4

1

14. Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

9,6

≈ 0

0,0

4

1

15. Herinrichting Meeslouwerplas

i

7,2

≈ 0

0,0

> 4

1

16. Onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit Regionale omroepen

i

2,0

≈ 0

0,0

> 4

1

17. Waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas (vanaf 2015)

 

1,6

≈ 0

0,0

> 4

> 1

Totaal

     

15,7

   

1.

Gevolgschade vergunningverlening aan afvalverwerkende bedrijven

Omschrijving

De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan afvalverwerkende bedrijven en is in die hoedanigheid maatschappelijk verantwoordelijk voor de gevolgschade (verwijdering afvalstoffen) als een verwerkingsbedrijf niet meer aan de vergunningsplicht kan voldoen. Dit kan zich met name voordoen in geval van faillissement.

Impact

Voor de provincie Zuid-Holland gaat het om in totaal circa 200 bedrijven met een mogelijke gevolgschade van minimaal € 0,1 mln per bedrijf per jaar. De totale maximale gevolgschade bedraagt€20,0 mln per jaar.

Maatregelen

Taakuitvoering vindt in 2013 voor alle regios plaats vanuit de RUDs. Door goed toezicht te houden op deze bedrijven en scherp te handhaven op de naleving van de voorschriften over omvang en soorten afval die opgeslagen mogen worden, wordt het risico beperkt tot de vergunde afvalstoffen. Daarnaast wordt bij bedrijven die hoeveelheden afval opslaan met een negatieve waarde van meer dan € 1,0 mln, jaarlijks op basis van de jaarrekeningen de financiële positie beoordeeld. Indien die positie zwak is, wordt het toezicht op de omvang van de opgeslagen afvalstoffen nog verder geïntensiveerd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Omdat de kans van optreden nog steeds zeer klein wordt ingeschat, wordt de omvang van het risico gesteld op een maximum van €2,5mln in een jaar. Er wordt dit najaar nog nader onderzocht en bepaald of dit risico door Zuid-Holland of door de RUDs gedragen moet worden.

2.

Mogelijke schadeclaim ontgronding Zevenhuizerplas

Omschrijving

Naar aanleiding van een ambtshalve wijziging van een vergunning wordt er op dit moment door de zandwinner van de Zevenhuizerplas een schadeclaim van € 10,0 à € 20,0 mln aangekondigd. Formeel is er geen civiele procedure gestart.

Impact

De kans dat deze zandwinner een procedure zal winnen wordt zeer klein geacht.

Maatregelen

Niet van toepassing

Status

In februari 2011 isde vergunning voor de ontgronding van Zevenhuizerplas ambtshalve door Zuid-Holland aangepast. Aanleiding hiervoor was het feit dat er zich diverse malen oevervallen hadden voorgedaan en de vergunde situatie aangescherpt moest worden om tot een stabiele eindsituatie te komen. Uit de ambtshalve wijziging vloeit onder andere voort datde totale hoeveelheid te winnen zand minder wordt. De vergunninghouder heeft inmiddels beroep ingesteld tegen de nieuwe vergunningvoorschriften en heeft aangekondigd de provincie aansprakelijkte stellenvoor de derving van inkomsten omdat er minder zand gewonnen kan worden.

De behandeling van het beroep was 26 april 2012. De Raad van State heeft op 15 augustus 2012 uitspraak gedaan: twee voorschriften zijn vernietigd, maar voor het overige is het besluit tot wijziging van de vergunning in stand gebleven, waaronder de aanscherping van de vergunning in verband met de noodzakelijke stabiliteit van de oevers. Hieruit volgt dat de Raad van State heeft geoordeeld dat het besluit rechtmatig is, met uitzonderingen van twee voorschriften. De vergunninghouder heeft de mogelijkheid om ingevolge artikel 28 van de wet Ontgrondingenwet bij het College van Gedeputeerde Staten een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Daarnaast is er de mogelijkheid dat er een civielrechtelijke claim wordt neergelegd bij de provincie.

3.

Lagere opbrengsten MRB

Omschrijving

Er is een risico dat de inkomsten uit de opcenten op de motorrijtuigenbelasting afwijken van datgene wat in de begroting is opgenomen. Dit risico wordt veroorzaakt door ontwikkelingen in het wagenpark (dat wil zeggen de autos in bezit van ingezetenen van Zuid-Holland). Hierbij gaat het om ontwikkelingen in aantallen (energiezuinige) autos en gewicht. Deze variabelen zijn van invloed op de inkomsten uit de opcenten. Daarnaast kan nieuwe wet- en regelgeving van invloed zijn op de inkomsten.

Impact

De impact van ontwikkelingen in het wagenpark wordt ingeschat op € 6,0 mln.

Momenteel stijgt het aantal autos (in tegenstelling tot eerdere jaren) nauwelijks.

Een daling is op termijn niet uit te sluiten.

Maatregelen

Bij het opstellen van de raming wordt een behoedzaamheidsmarge gehanteerd van 1 procent om onvoorziene ontwikkelingen in het wagenpark op te kunnen vangen (dit komt overeen met een bedrag van circa € 3,0 mln). Mochten zich in de loop van het jaar grotere afwijkingen voordoen, dan dient hiervoor ruimte te worden gevonden in de begroting.

Voor energiezuinige autos geldt vooralsnog een lichter belastingregime van (gedeeltelijke) vrijstelling. Per 1 januari 2014 wordt dit lichtere regime afgeschaft. Het is overigens nog maar de vraag of het Rijk de volledige meeropbrengsten als gevolg van deze maatregel ten goede zullen laten komen aan de provincies. Vanuit behoedzaamheid is er daarom in de meerjarenbegroting rekening mee gehouden dat 50 procent van de mogelijke meeropbrengsten (circa € 10,0 mln) ten goede zullen komen aan de provincie. Vooralsnog kan niet worden aangegeven of dit hoger danwel lager zal uitvallen.

Status

Zie maatregelen

4

Claim Hornbach, gemeente Alblasserdam

Omschrijving

Het betreft een schadeverzoek naar aanleiding van het niet verkrijgen c.q. schorsen van een bouwvergunning.

Impact

Maximaal €18,5 mln. Deze claim valt vermoedelijk niet onder de WA-verzekering van de provincie.

Maatregelen

Inwinnen van juridisch advies

Status

Op 20 mei 2009 heeft Houthoff Buruma de provincie geadviseerd over eventuele onrechtmatigheid van de provincie jegens Hornbach en de consequenties daarvan voor een eventuele regresvordering van de gemeente. Voorlopige conclusie daarvan is dat een dergelijke vordering zal kunnen afstuiten op het feit dat Hornbach destijds zelf heeft verzocht om intrekking van vrijstelling en bouwvergunning. Op 31 maart 2010 heeft de rechtbank Dordrecht alle vorderingen van Hornbach op de gemeente Alblasserdam afgewezen. Op 25 juni 2010 heeft Hornbach de gemeente in hoger beroep gedagvaard.

Uitspraak in dit geschil wordt in de loop van 2012 verwacht.

5.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract personenvervoer over water (POW) betreft een veerverbinding tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract is op 1 januari 2010 afgesloten. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 3,0 mln in 2021. Tegenover de vreemd vermogen verstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder.

Impact

Maximale impact op basis van stand ultimo 2012: € 10,9 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is met ingang van 1 januari 2010 ingegaan.

6.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompensatie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompensatie, is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10,0 mln.

Maatregelen

De mogelijkheid voor een milieuaansprakelijkheidsverzekering voor de ontgronder onderzoeken; bij de vergunning­aanvraag afhankelijk van de situatie een globale of geavanceerde risicoanalyse eisen; de vergunning adequaat handhaven.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Er wordt dit najaar nog nader onderzocht en bepaald of dit risico door Zuid-Holland of door de Omgevingsdienst Haaglanden gedragen moet worden (hier worden provinciebreed de vergunningverlenende taken voor ontgrondingen belegd).

7.

Niet tot uitvoering komen grote infraprojecten

Omschrijving

De plan- en voorbereidingskosten van projecten groter dan €1,0 mln uit het Meerjarenprogramma Investeringen Provinciale Infrastructuur (MPI) worden op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV, art.60) geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte plan- en voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten, waarvan de totale plan- en voorbereidingskosten vele miljoenen bedragen. Hier staat als financieel voordeel tegenover dat er geen kapitaallasten optreden, noch vanwege plan- en voorbereidingskosten, noch vanwege de realisatie van het project. Het betreft de volgende grote projecten waar kosten in de voorbereidingsfase zijn gemaakt: RijnGouweLijn (RGL) West, Rijfront Zuid, Rotonde N209 en de N207 Corridor. Hiermee is circa € 6,8 mln aan plan- en voorbereidingskosten gemoeid.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

8.

Financieel risico subsidie RAS

Omschrijving

Het bestuur van het Stadsgewest Haaglanden heeft bezwaar gemaakt tegen het voornemen van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om de regio met ingang van 1 januari 2013 geen subsidie te verstrekken in het kader van het lokaal preventief jeugdbeleid (RAS). Inmiddels is de motivering van dit voornemen in de beslissing op bezwaar (van 18 september 2012) aangepast en aangevuld. Stadsgewest heeft in principe de mogelijkheid om van die beslissing in beroep te gaan bij de rechtbank. Met de voorgenomen koers, komt de provincie tegemoet aan de wens van de regio’s op een wijze die past binnen de landelijke transitie afspraken tussen Rijk, IPO en VNG. Dat beperkt het risico dat de regio’s zich principieel tegen de koerswijziging zullen verzetten.

Impact

Als één van de omschreven risico’s zich realiseert zal beoordeeld worden hoe de financiële gevolgen opgevangen kunnen worden binnen het betreffende begrotingsdoel.

Door de stelselwijzing moeten de onder de RAS aangegane (en uit de subsidie bekostigde) verplichtingen die verband houden met het preventief jeugdbeleid door de regio’s worden afgebouwd. Deze regio’s – met uitzondering van de stadsregio’s, die al eerder een aankondiging over noodzakelijke afbouw van de activiteiten ontvingen - krijgen tot 1 juli 2013 de tijd om hun verplichtingen jegens derden af te bouwen. Daartoe ontvangen zij tot 1 juli 2013 subsidie.

Maatregelen

  • De motivering van het besluit aan de Stadsregio is aangepast (cf GS-vastgesteld 18 september 2012).
  • Juridische ondersteuning bij eventuele procedures.

Status

De motivering van het besluit aan de Stadsregio is aangepast.

9.

Omgevingsrisicos vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico's. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daar­mee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden, is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de RUDs dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico's. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico's hoort een onderdeel te zijn van vergunningverlening en een actief handhavingsbeleid.

Impact

Het terugbetalen van griffierechten en eventuele proceskosten, evenals schadeclaims, is een financieel risico. Per geval kan de schadeclaim hoog zijn (enkele miljoenen euro's). Er wordt uitgegaan van maximaal €5,0 mln op jaarbasis.

Maatregelen

Intensieve juridische controle en een goed bewustzijn van de belangen en wensen van de externe omgeving.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De aandacht voor juridische kwaliteit heeft er in de afgelopen jaren toe geleid dat er, vergeleken met voorgaande jaren,procentueel minder besluiten waartegen beroep is ingesteld, zijn vernietigd. Voor wat betreft het percentagebesluiten waartegen bezwaar is gemaakt, gaat dit niet op. Er wordt dit najaar nog nader onderzocht en bepaald of dit risico door Zuid-Holland of door de RUDs gedragen moet worden.

10.

Volledige honorering subsidieaanvraag stimuleringsregeling Voordelta, project Ouddorp

Omschrijving

Er loopt een hoger beroepsprocedure betreffende het gedeeltelijk toekennen van de subsidie aan het project Ouddorp Duin. De subsidie is aangevraagd in het kader van de eerste tender Tijdelijke verordening stimulering Voordelta. Het project Ouddorp Duin is in oktober 2008 door Ridderstee Holiday B.V. te Ouddorp ingediend als subsidieaanvraag in het kader van de Tijdelijke verordening stimulering Voordelta. Met de uitvoering van het project wordt beoogd gebiedsontwikkeling in Ouddorp te realiseren, inclusief een hotel en een elkweervoorziening met onder andere theater, bioscoop, zwembad en een informatiecentrum. Het gevraagde subsidiebedrag bedroeg € 4,5 mln. GS hebben op 4 februari 2009 een subsidie verleend van € 0,2 mln, omdat de aanvraag voor het meerdere ongeoorloofde staatssteun betreft.Op 28 september 2011 heeft de rechter het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Impact

€ 4,5 mln

Maatregelen

Inhuur advocaat voor het voeren van de juridische procedure.

Status

Er is hoger beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van GS van 10 maart 2010. De zitting van de rechtbank vindt plaats op 11 september 2012.

11.

De Europese Commissie kan bij EU-subsidies subsidiabiliteit uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten, waarbij zij eindverantwoordelijk is, het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast kan (namens) de Europese Commissie een aangegane verplichting jegens een eind­begunstigde (gedeeltelijk) worden ingetrokken, als de feitelijke uitgaven achter gaan lopen bij het in de goedkeuringsbeschikking voorgeschreven uitgavenritme. De kans dat een dergelijk besluit wordt genomen, is niet in te schatten. Zelfs bij een afgesloten Europees subsidieproject loopt de provincie het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden terug­gevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50 procent van de totale omvang van het project.

Impact

Voor de lopende projecten 2007 tot en met 2013 bedraagt het brutorisico € 4,4 mln (betreft ontvangen voorschotten voor nog niet afgerekende kosten).

Maatregelen

Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en selectie; voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties; zorg dragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

Voor de periode 2007 tot en met 2013 zijn momenteel drie projecten van de provincie in uitvoering. Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

12.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

Omschrijving

Sinds 1 april 1998 zijn provincies verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van provinciale stortplaatsen, waarop na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn of worden gestort. Het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties is ingesteld voor het beheer van het vermogen, dat beschikbaar dient te zijn om de kosten van eeuwigdurende nazorg te dekken. Als een stortplaats zich nog in de exploitatiefase bevindt, worden aan de exploitant heffingen opgelegd totdat het definitieve doelvermogen is bereikt. In de exploitatiefase loopt de provincie een debiteurenrisico (de exploitant is niet in staat de opgelegde heffing te betalen). Na sluiting van de stortplaats loopt de provincie het risico dat nazorgkosten gedeeltelijk moeten worden betaald uit provinciale middelen door:

  1. Een toename van de nazorgkosten als gevolg van extra prijsstijgingen/gewijzigde milieueisen.
  2. Technische onvolkomenheden als gevolg van falende voorzieningen.
  3. Onvoldoende rendement op het fondsvermogen.

Impact

De omvang van het risico is maximaal gelijk aan de huidige contante waarde van alle vastgestelde doelvermogens van de stortplaatsen in de provincie nadat (volgens de huidige planning) in 2023 alle sluitingsverklaringen zijn afgegeven. De huidige omvang van het op te bouwen doelvermogen voor de locaties in exploitatie wordt geraamd op circa € 46,4[17] mln, waarvan reeds € 30,8 mln is opgebouwd. Voor de gesloten locaties is een vermogen van

€ 8,4 mln opgebouwd. De omvang van het risico is theoretisch en alleen aan de orde als het via heffingen opgebouwde en conform het beleggingsstatuut belegde fondsvermogen volledig teniet zou gaan.

Maatregelen

  • Risicominimalisatie door belegging bij goed presterende beleggingsinstellingen in beleggingsproducten conform de Wet Financiering Decentrale Overheden (Fido).
  • Periodieke actualisatie van nazorgplannen en de hiervan afgeleide doelvermogens.
  • Periodieke beoordeling van de rekenrente die wordt gehanteerd bij de berekening van de doelvermogens.[18]
  • Bij de berekening van het doelvermogen per stortplaats wordt rekening gehouden met een opslag voor zowel technische als financiële risico's.
  • Het goedgekeurde nazorgplan voor een gesloten stortplaats biedt de basis voor de controle, werkzaamheden en financiering van de nazorg.

Status

De opbouw van doelvermogens is een continu lopend proces waarmee de financiering van de toekomstige nazorgtaak van de provincie vooruit wordt berekend. De voorcalculatie gaat door totdat alle stortplaatsen gesloten zijn. Voor de berekeningen wordt uitgegaan van in de Interprovinciaal overleg (IPO)-checklist nazorg opgenomen uitgangspunten over technische ontwikkelingen, kostenontwikkelingen en fondsrendement.

13.

Deelrisicos PMR - 750 hectare natuur en recreatie

Omschrijving

Uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico's zijn gelegen in de beheersing van de uitvoering van het project.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin bij de uitvoering van het project onregelmatigheden dan wel onverwachte gebeurtenissen plaatsvinden.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-projectBuijtenland van Rhoon (natuur- en recreatiegebied van 600 ha op Midden-IJsselmonde) voor eigen rekening en risico uit. Voor dit project is een taakstellend budget beschikbaar. Het project is het grootste deelproject van PMR/750 ha. De grondverwerving is integraal onderdeel van de projectfinanciering. De financiering is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR/750ha. De bijdrage van de provincie Zuid-Holland voor PMR/750ha bedraagt € 9,0 mln. De gemeente Rotterdam draagt € 9,0 mln bij, de Stadsregio Rotterdam € 18,0 mln en het Rijk € 112,0 mln (totaal-bedrag is € 148,0 mln, prijspeil 2002). Hiervan is een bedrag van € 117,5 mln voor Buijtenland van Rhoon. De genoemde bedragen zijn geïndexeerd op 2 procent per jaar. Ingeval van onvoorziene omstandigheden, zoals bijvoorbeeld excessieve grondprijs-stijgingen, kan de provincie in overleg gaan met het Rijk om tot een oplossing te komen (op basis van artikel 12 van de UWO PMR/750 ha). Grondverwerving vindt, in lijn met het bestemmingsplan, plaats met het oog op de realisatie van de voor het project gestelde plandoelen (natuur- en recreatie). Waardedaling is geen risico, maar een gevolg van gewenste functie of bestemming in het plan en als zodanig opgenomen in de projectfinanciering. Om de financiële risicos van het project goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) business case is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als zich risicos voordoen.

De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van de post onvoorzien die in de business case van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021) is opgenomen. De totale omvang van de post onvoorzien bedraagt nu € 22,0 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de post onvoorzien daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

14.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade in 2013 bedraagt € 9,6 mln (dit is het gemiddelde van de stand begin en ultimo 2013). Voor een groot deel van dit bedrag (ca 98 procent) zijn hypo-thecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook ingeschat als nihil. Het uitwinnen van deze zekerheden kan leiden tot ernstige maatschappelijke gevolgen bij zorginstellingen. In dat geval zou kunnen worden besloten de gestelde zekerheden niet aan te spreken. Voor de overige gegarandeerde geldleningen zijn geen zekerheden bedongen.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt. Ruim 75% van door de provincie gewaarborgde instellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

Borgstellingen zijn in 2012 volgens schema afgebouwd.

15.

Meerkosten herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de Basisovereenkomst tussen BAM Wegen regio west BV en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende vijf projecten, samen 'het Werk' genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

  • Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers).
  • Het herinrichten van de oevers.
  • Het realiseren van het krekengebied.
  • Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas.
  • Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen.
  • Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van 10 jaar. De belangrijkste risicos van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

  • Het project levert niet genoeg geld op (raming circa € 2,7 mln).
  • Er komt binnen de termijn van 10 jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar.
  • BAM stopt met de uitvoering van het project.
  • Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico's werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

  • De provincie Zuid-Holland blijft met een tekort zitten.
  • Het project gaat langer dan tien jaar duren wat niet is afgesproken met omwonenden en belanghebbenden en met de erfpachter in Vlietland RCV.
  • Indien BAM binnen enkele jaren stopt zal de provincie Zuid-Holland met een tekort van enkele miljoenen kunnen blijven zitten. In de eerste plaats is er nu al vooruitlopend op inkomsten circa € 2,0 mln uitgegeven. In de tweede plaats is er nog het probleem van de instabiele oevers hetgeen naar schatting circa € 2,5 mln aan kosten met zich mee zal brengen.

Maatregelen

In de basisovereenkomst is afgesproken dat een herziening van de afspraken mogelijk is als daar aanleiding toe is (als bijvoorbeeld door marktomstandigheden niet tijdig voldoende grond beschikbaar is).

Status

Er speelt momenteel geen concrete problematiek.

16.

Onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit Regionale omroepen

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland heeft aan RTV West en RTV Rijnmond in 2004 een achterge-stelde lening verstrekt. Omdat het hier achtergestelde leningen betreft, bestaat er een zeker risico dat de leningen niet (geheel) zullen worden terugbetaald in geval van faillissement van één of beide omroepen. De financiële positie van de twee regionale omroepen is de laatste jaren structureel gezond. Ook de liquiditeit is niet langer een knelpunt. De lening aan RTV West bedroeg € 4,5 mln en aan RTV Rijnmond € 2,5 mln. In de leningovereenkomst van RTV West is opgenomen dat de lening vanaf 2007 wordt afgelost in tien jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste twee termijnen minimaal € 0,25 mln per jaar bedragen en de daarop volgende termijnen minimaal € 0,5 mln per jaar. In de leningovereenkomst van RTV Rijnmond is opgenomen dat de lening wordt afgelost vanaf 2008 (eveneens in tien jaarlijkse termijnen van ten minste € 0,25 mln). Conform de afspraak zijn de omroepen begonnen met het aflossen van de leningen.

Impact

Maximale schade medio 2013 bedraagt € 2,0 mln (waarvan € 1,2 mln voor RTV West en € 0,8 mln voor RTV Rijnmond).

Maatregelen

De financiële positie en liquiditeitspositie van de regionale omroepen worden door middel van periodieke rapportages gemonitord.

Status

Gelet op de gezonde financiële positie van beide instellingen wordt verwacht dat de leningen volledig zullen worden afgelost.

17.

Waardeontwikkeling grondaandeel Grondbank RZG Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan deboekwaarde.

Impact

Per 1 januari 2012 bezit de Grondbank circa 350 hectare grond met een boekwaarde van circa €125,0 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. DeGRGrondbank loopt tot 1 januari 2020.

Maatregelen

Elke jaar wordt éénderde deel van de gronden opnieuw getaxeerd en wordt de uitkomst hiervan geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waardedalingen en waardestijgingen wordenuiteindelijk met de deelnemers verrekend.Tevens is een gerichte uitnamestrategie opgesteld waarin de jaarlijks vast te stellen uitnamestrategie wordt geconcretiseerd. In het Uitnamestrategiekader worden risico's verder beperkt door het bepalen van de uitnameprijs (de boekwaarde vermeerderd met een bepaalde opslag). Het risico kandaarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van de gronden en de afspraken die de samenwerkende partijen in de Zuidplas daarover maken.

In het Dagelijks Bestuur van de Regionale Ontwikkelingsorganisatie van de Zuidplas hebben de samenwerkende partijen besloten tot een nader onderzoek naar de ontwikkelingsmoge-lijkheden van de Zuidplas, mede gericht op de optimalisatie van het grondbezit van de Grondbank. Uitkomsten daarvan worden in de tweede helft van 2012 met de deelnemers gedeeld.

Status

In 2011 zijn de taxaties van de in 2008 in eigendom verkregen gronden uitgevoerd.Het grondbezit is verspreid over de onderscheiden ontwikkellocaties verworven. Hierdoor ontstaat elk jaar een geactualiseerd inzicht in de taxatieprijzen. Bij het opmaken van de Jaarrekening 2011 van de Grondbank is geconstateerd dat de huidige marktwaarde van de gronden €28,0 mln lager is dan de boekwaarde wat leidt tot een negatief eigen vermogen van dezelfde omvang.

Een tijdelijk negatief eigen vermogen bij de GR Grondbank is toegestaan voor de duur van drie jaar. Lukt het binnen deze periode niet het negatieve eigen vermogen weg te werken, dan dienen de deelnemers het tekort aan te vullen. De provincie heeft hiervoor bij de Jaarrekening 2011 een voorziening getroffen van € 12,0 mln. In juni 2012 is tussen ROZ en de gemeente Zuidplas overeenstemming bereikt over de uitname van 40,7 hectare grond tegen boekwaarde. Door de afwaardering van de gronden kunnen de exploitatielasten van de Grondbank, naar verwachting tot en met 2014, niet meer worden geactiveerd. Dit betekent dat de provincie in 2013 en 2014 € 1,8 mln respectievelijk € 1,6 mln bijdraagt in het tekort van de Grondbank. De dekking hiervoor is afkomstig uit de financiële ruimte.

Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat, in het licht van ontwikkelingen in de Zuidplas, de exploitatielasten vanaf 2015 weer kunnen worden geactiveerd en dat er vanaf dat moment geen provinciale bijdrage meer nodig is. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden.

 

5.3 Niet-kwantificeerbare risicos

Dit betreft risicos waarvan de maximale schade en/of de kans van optreden niet te kwantificeren zijn als gevolg van onzekerheden die zich voordoen of ontbrekende informatie.

Naam risico

Incid./truct.

Max. Schade

(mln €)

Kans

optreden

Omvang

(mln €)

Risicotermijn

frequentie

1 Financiële risicos BO ILG

  • RodS/EHS/FES
  • beheer

i

 

€ 130,0

n.t.b.

 

n.t.b.

n.t.b.

 

n.t.b.

n.t.b.

 

< 4

> 4

 

1

2. Boete Rijk in verband met EMU-tekort

i

€ 150,0

n.t.b.

n.b.

> 4

1

3. Doorlevering gronden TBOs

i

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

> 4

1

4. Lagere uitkering Provinciefonds

 

n.b.

50-75%

n.t.b.

< 4

> 1

5. Deelname risico ROM-D capital BV

i

€ 10,0

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

1

6. Financiële risicos bij uittreding GR Delft noord

i/s

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

< 4

1

7. Bezwijken bijzondere constructies/calamiteiten

i

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

< 4

> 1

8. Derde Merwedehaven

i

n.b.

n.b.

n.b.

4

1

9. Renterisico

i/s

n.b.

n.b.

n.b.

4

> 1

10. Inlenersaansprakelijkheidsrisico

i

n.b.

n.b.

n.b.

4

> 1

11. Ontwikkelingen bezuiniging regionale omroepen

 

€ 2,0

n.t.b.

n.t.b.

>4

1

1.

Financiële risicos BO Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)

Omschrijving

In december 2006 is de Bestuursovereenkomst (BO ILG) tussen het Rijk en de provincie Zuid-Holland afgesloten. Hierin zijn, conform de Wet inrichting landelijk gebied (WILG), prestatieafspraken gemaakt over onder andere de verwerving, de inrichting en het beheer van gronden. Op 20 september 2011 is er een landelijk akkoord bereikt over de afwikkeling van de BO ILG, waarbij een bezuiniging van € 600,0 mln is afgesproken, waarmee PS op 14 december 2011 hebben ingestemd. De uitwerking van het akkoord leidt tot de volgende onzekerheden:

  1. Op 1 januari wordt de juridische verplichting voor EHS geraamd op € 108,0 mln. In het advies van de commissie Jansen over de herijkte EHS (oktober 2012) zijn alle juridische verplichtingen overgenomen. Dit bedrag moet echter middels grondverkoop verdiend worden. Het resultaat hiervan is nog onzeker. In het voorjaar 2013 wordt hierover met de Staten gesproken in het kader van de herijkte EHS.
  2. Hoe het Rijk de ILG-gronden binnen de begrenzing van RodS-projecten beschikbaar stelt is nog niet vastgesteld. Wel is afgesproken dat er landelijk 1.200 ha beschikbaar komen voor de inrichting. Met de RodS-provincie vindt overleg plaats over de verdeling over de provincies. De herverdeling past in de uitwerking van het rapport Jansen. De principiële inzet van Zuid-Holland is om alle gronden binnen de RodS-begrenzingen beschikbaar te houden.
  3. In de uitwerking van het Akkoord zijn afspraken gemaakt met het Rijk over het tekort op de FES-projecten (€ 126,0 mln). Overeengekomen is dat het Rijk hiervoor € 88,0 mln extra beschikbaar stelt. De provincies nemen het resterende bedrag van € 38,0 mln voor haar rekening. In het IPO is besloten om het bedrag over de FES-provincies te verdelen. De verdeling is opgenomen in het rapport van de commissie Jansen. De korting voor provincie Zuid-Holland bedraagt € 12,0 mln.
  4. Op dit moment wordt met de FES-partijen en de Glastuinbouw gesproken over herprioritering, waardoor het tekort van de provincie ZH kan worden beperkt. De uitkomsten zijn nog onzeker.

Impact

Op dit moment vindt nadere uitwerking plaats van de beschikbaarheid van de ILG-gronden voor RodS en het grond-voor-grond principe. Op basis daarvan zal een verdere analyse plaatsvinden van de financiële consequenties voor Zuid-Holland. Het financieel risico FES én Glastuinbouw is maximaal € 22,0 mln. Via herprioritering wordt dit risico fors verlaagd. Het resterende tekort is meegenomen in de financiering van het beleidsvisie Groen.

Maatregelen

GS hebben PS eind 2011 voorgesteld in te stemmen met het onderhandelingsakkoord omdat de financiële risico’s beheersbaar worden geacht. De genoemde financiële risico’s zijn als volgt te beheersen:

  • Het risico voor FES/glastuinbouw is beheersbaar gemaakt door het besluit van GS op 12 juni 2012 tot het stilzetten van het aangaan van nieuwe verplichtingen; van de € 186,0 mln aan toegezegde middelen zijn er € 25,5 mln nog niet verplicht. Met recente afspraken Rijk-IPO, verwerkt in het advies van de commissie Jansen is het risico beperkt tot € 22 mln. Dit bedrag wordt voor een belangrijk deel gevonden in herschikking van de lopende projecten. Hierover vindt  bestuurlijk overleg met de regionale partijen plaats.
  • GS hebben extern juridisch advies ingewonnen. Hieruit blijkt dat de juridische positie van de provincie relatief sterk is. Het nemen van gerechtelijke stappen kan echter leiden tot bestuurlijke problemen, waarvan de gevolgen nog niet zijn te overzien. Dit is zeker het geval als Zuid-Holland hierin alleen (dus zonder de andere provincies) op zou trekken.
  • De opgave “internationale en juridische verplichtingen” die GS op 10 juli 2012 heeft vastgesteld en is opgenomen in de beleidsvisie Groen, is overgenomen door de commissie Jansen. De dekkingsmiddelen worden prioritair ingezet op juridische verplichtingen. Tot 2021 is de ontwikkelopgave 1.927 ha verwerving en 3.917 ha inrichting (respectievelijk 67% en 65% van de opgave die GS heeft vastgesteld). Op dit moment vindt overleg plaats over de uitvoering van het principe Grond voor Grond.
  • Resterende verplichtingen op de EHS-opgave, die buiten de herijkte EHS vallen moeten in overleg met gebiedspartners worden geschrapt; de verwachting is dat de provincie hier met de betreffende partijen uit gaat komen.
  • Het risico op het later vaststellen van het ILG wordt beheersbaar gemaakt door de hierboven geschetste verlagingen van de ambities voor RodS en EHS. Door een strakke sturing op het ILG-programma kan de provincie geen nalatigheid worden verweten door het Rijk.

Status

In het IPO zijn voorstellen voorbereid voor de afwikkeling ILG en de herijking EHS. De externe commissie Jansen (ingesteld voor de herijking EHS) heeft in haar advies rekening gehouden met andere “plussen en minnen” ontstaan vanuit het bestuursakkoord. Het restant bedrag als tekort is verdeeld over de provincies. Voor het opvangen van het toegerekende tekort zal eerst via herschikking van de FES-projecten het tekort van de PZH opgevangen worden.

2.

Boete Rijk in verband met negatief Economische en Monetaire Unie (EMU)-saldo

Omschrijving

Het Rijk werkt momenteel aan een wetsvoorstel Houdbare overheidsfinanciën (wet HOF) met als doel om het EMU-tekort van Nederland verder beheersbaar te maken. Op basis van Europese afspraken mag Nederland in 2013 een tekort hebben van maximaal 3% van het binnenlands product (BBP). Eerder al zijn met het Rijk afspraken gemaakt over de maximaal toegestane EMU-tekorten voor decentrale overheden. Provincies mogen gezamenlijk een tekort hebben van maximaal 0,07% BBP. Per provincie zijn individuele referentiewaarden berekend. De huidige regelgeving bepaalt dat als Nederland de toegestane norm van 3% overschrijdt en hiervoor ook een boete krijgt van de Europese Commissie en decentrale overheden hebben bijgedragen aan de overschrijding, dat het Rijk dan in overleg treedt met de decentrale overheden om tot een oplossing te komen. Als uiterste middel kan het Rijk een korting opleggen op het gemeente- en/of Provinciefonds.

In het wetsvoorstel HOF is een bepaling opgenomen dat het Rijk individuele organisaties een boete kan opleggen als deze hun individuele referentiewaarde overschrijden, ook als Nederland geen boete krijgt opgelegd van de Europese Commissie. Het wetsvoorstel ligt momenteel ter advisering voor bij de Raad van State. Vooralsnog is niet duidelijk of de wet HOF er gaat komen, en zo ja, wanneer. Invoering met ingang van 2014 behoort tot de mogelijkheden maar invoering met ingang van 2013 dient niet te worden uitgesloten.

Impact

De omvang van een boete kan oplopen tot maximaal de omvang van de algemene uitkering uit het Provinciefonds (voor Zuid-Holland circa € 150,0 mln). Dit bedrag wordt door het Rijk in een renteloos depot gestort en na twee jaar teruggestort als de betreffende organisatie weer voldoet aan de gestelde referentiewaarde. Krijgt Zuid-Holland een dergelijke boete opgelegd, dan heeft dat grote gevolgen voor projecten die in de betreffende jaren tot uitvoering zouden komen. Verder leidt een dergelijke boete tot een verlies aan rente-inkomsten van circa € 3,0 mln (incidenteel).

Zuid-Holland verwacht over 2013 een EMU-tekort van € 161,0 mln; dat is circa € 108,0 mln boven de huidige referentiewaarde van € 53,0 mln. Voor 2014 wordt een EMU-tekort verwacht van € 185,3 mln; dat is circa € 132,3 mln boven de huidige referentiewaarde.

Maatregelen

Zuid-Holland trekt samen met andere overheden op om de negatieve gevolgen van de wet zoveel mogelijk te beperken (waaronder een gezamenlijke lobby richting beleidsbepalers).

Status

Zie maatregelen

3.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De vereniging van particuliere grondeigenaren heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie, met als strekking dat het verlenen van subsidie op basis van de zogeheten PNB-regeling voor terreinbeherende organisaties (TBOs) in strijd is met EU-regelgeving in verband met staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het hierbij om Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten. De uitspraak van de EC zal naar verwachting nog enige jaren op zich laten wachten.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun dan zal men eisen dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag van € 0,2mln (in geval van geoorloofde staatssteun) terugvordert of een bedrag van € 1,2 mln (ingeval van ongeoorloof-de staatssteun). Dit betreft het steunbedrag inclusief de rente. Het Rijk zal deze verplichting tot terugvorderen doorgeven aan de provincies. Die dienen op hun beurt het bedrag terug te vorderen bij de TBO's. Dit kan een beleidsmatig effect hebben op het beheer van natuur, omdat het voortbestaan van deze organisaties hierdoor in gevaar zal komen. Over de financiële impact vallen vooralsnog geen uitspraken te doen. Dit is mede afhankelijk van de uitspraak van de EC.

Maatregelen

  • Doorleveringen aan de TBOs zijn voorlopig stopgezet.
  • De betrokken artikelen van de provinciale Subsidieregeling Landelijk Gebied (SLG) die de aankoop van natuurterreinen regelen zijn gewijzigd overeenkomstig de nieuwe regeling voor grondaankopen.

Status

Provincies beraden zich in IPO-verband op de juridische positie en de te nemen stappen.

4.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

De hoogte van de algemene uitkering uit het Provinciefonds is gekoppeld aan de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven (via het zogeheten accres). Dalende rijksuitgaven (bijvoorbeeld als gevolg van bezuinigingen) leiden hiermee direct tot minder inkomsten voor decentrale overheden, waaronder provincies. Daarnaast kan het Rijk ook een generieke korting opleggen op het Provinciefonds. Tot slot kunnen zich afwijkingen voordoen in de algemene uitkering door ontwikkelingen in de verdeelmaatstaven van het fonds (bijvoorbeeld inwoneraantallen, aantal woonruimtes) of door taakmutaties (bijvoorbeeld als middelen worden toegevoegd bij nieuwe taken of middelen juist worden onttrokken bij taakbeëindiging).

Impact

De impact van wijzigingen in het Provinciefonds is niet bij voorbaat aan te geven. Wel is er de zeer waarschijnlijke mogelijkheid dat aanvullende bezuinigingen van een nieuw kabinet negatieve gevolgen zullen hebben voor het Provinciefonds. Negatieve gevolgen voor het accres liggen voor de hand, maar een korting op het Provinciefonds behoort ook tot de mogelijkheden. De impact van deze ontwikkelingen is afhankelijk van de koers van een nieuw kabinet na de landelijke verkiezingen op 12 september 2012 en kan variëren van beperkt tot oplopend tot zeker enkele tientallen miljoenen.

Maatregelen

Voor het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds wordt een behoedzaamheids­­marge gehanteerd van 1%. Deze marge is bedoeld om reguliere afwijkingen op te vangen met betrekking tot ontwikkelingen in verdeelmaatstaven en kleine taakmutaties.

Overige ontwikkelingen die ten koste gaan van de omvang van de uitkering uit het Provinciefonds zullen elders binnen de begroting worden opgevangen (bijvoorbeeld door te bezuinigen). Ontwikkelingen worden op de voet gevolgd; actuele wijzigingen worden tijdig verwerkt in de bestuurlijke planning & control producten (zoals Begroting, Voorjaarsnota etc.) en onder de aandacht gebracht van bestuurders.

Status

Het in het voorjaar tussen de Tweede Kamer en demissionaire kabinet overeengekomen Lenteakkoord heeft negatieve gevolgen voor het accres van het Provinciefonds. Om tot een sluitende meerjarenbegroting te komen zijn in de Begroting 2013 bezuinigingen doorgevoerd. Zodra meer bekend is over de gevolgen van een nieuw coalitieakkoord (na de verkiezingen van 12 september 2012) zal een analyse worden gemaakt, waarbij ook gekeken wordt naar de gevolgen voor het Provinciefonds.

5.

Deelname risico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie gaat onder een aantal gestelde voorwaarden met € 10,0 mln deelnemen in ROM-D Capital BV, het publiek investeringsfonds van de Regionale Ontwikkelingsmaat-schappij Drechtsteden. Effectuering van deze deelname kan naar verwachting zijn in het najaar van 2012, mits is voldaan aan de gestelde voorwaarden. ROM-D Capital BV is een revolving fund. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een business case kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Eventuele winst vloeit terug naar het fonds. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de GR Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CVs). Het maximale risico voor de provincie is dat de aan één of meer CVs door Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV (€ 10,0 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risicos zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet.

De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investmentcommittee, dat weer adviseert op basis van een sluitende business case.

Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de begroting en jaarrekening van de ROM-D (deze worden vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de ROM-D waarin ook Zuid-Holland zitting heeft).

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De kans van optreden wordt vooralsnog beperkt ingeschat. Een eventueel risico zal pas over een aantal jaren daadwerkelijk effectief worden, omdat ROM-D Capital BV nu nog in de opstartfase zit. Middelen moeten nog aan projecten worden toegekend en vervolgens moeten de activiteiten nog daadwerkelijk worden opgestart.

6.

Financiële risicos bij uittreden uit GR Delft Noord

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland is tot en met 1 mei 2014 deelnemer in de Gemeenschappelijke Regeling Beheer Grondwateronttrekking Delft Noord (verder te noemen GR). Deze GR heeft als doelen om de grondwateronttrekking (zo veel als mogelijk) af te bouwen en het vinden van een vermarktbare herbestemming van het opgepompte water.

Bij de start van de GR heeft de provincie aangegeven dat na 1 mei 2014 de directe onttrekkingskosten geheel voor rekening komen van Delft en Delfland.

Mogelijk risicos hebben betrekking op een verhoging van de jaarlijkse bijdrage en op de discussie in de GR over het betalen van een uittreedvergoeding.

Impact

De provincie draagt nu jaarlijks circa € 0,5 mln bij aan de kosten van de gemeenschappelijke regeling maar krijgthet volgend jaar wellicht te maken met een verhoging van haar deelnemersbijdrage in verband met de volgende (mogelijke) ontwikkelingen:

  • Niet/later kunnen starten met reductie grondwateronttrekking als gevolg van het conflict met Prorail over de te onttrekken hoeveelheid grondwater.
  • Hergebruik niet (voldoende) van de grond komt.
  • Subsidie van het Rijk voor hergebruik niet wordt verleend.
  • Tegenwerking Prorail bij de afrekening (naar aanleiding uitspraak arbitragecommissie) waardoor onkostenvergoeding voor later starten reductie grondwateronttrekking later binnenkomt.

De provincie heeft de GR in maart 2011 per brief (nogmaals) bevestigd dat de provincie met ingang van 2014 gaat uittreden. Deze uittreding is momenteel onderwerp van gesprek vanwege de wens van de beide andere GR-leden (Delft en Delfland) om de provincie langer deelnemer te laten blijven en de discussie over een eventuele uittreedvergoeding.

Maatregelen

Een interne provinciale werkgroep gaat nu de verschillende opties in kaart brengen en een inschatting maken van de mogelijke financiële risicos gevolgen van uittreding.

Status

Naar verwachting zal GS in 2012 een besluit nemen over de geplande uittreding, waarna PS hierover geïnformeerd zullen worden.

7.

Meerkosten als gevolg van bezwijken bijzondere constructies onder provinciale wegen en calamiteiten aan vaste en beweegbare kunstwerken

Omschrijving

Het risico kan als volgt omschreven worden:

  • Bezwijken van bijzondere constructies waarop provinciale wegen zijn gebouwd.
  • Calamiteiten aan beweegbare kunstwerken (veroorzaakt door een achterstand in onderhoud).
  • Calamiteiten aan vaste kunstwerken (veroorzaakt door de zogeheten ASR-/dwars-krachtproblematiek).

Impact

  • De kosten als gevolg van het bezwijken van bijzondere constructies kunnen voor nu nog niet worden ingeschat.
  • De kosten van een calamiteit aan een beweegbaar kunstwerk worden ingeschat op € 3,3 mln, de kosten van een calamiteit aan een vast kunstwerk op € 1,0 mln (deze bedragen zijn exclusief de eventuele te vergoeden gevolgschade voor derden).

Maatregelen

  • Er wordt nader onderzoek gedaan naar de omvang en impact van het risico van het bezwijken van bijzondere constructies op onder andere provinciale wegen.
  • Vooralsnog is daarom geen inschatting te geven van de maximale impact en kans van optreden.
  • Er wordt nader onderzoek gedaan naar het aantal beweegbare kunstwerken met achterstallig onderhoud; resultaten hiervan zullen in 2012 beschikbaar komen (streven is om op basis hiervan tot een kwantificering van het risico te komen).
  • Voor het verhelpen van de calamiteiten aan vaste kunstwerken is budget beschikbaar in het beheer- en onderhoudsbudget (doel 2.1).

Status

Er wordt onderzoek uitgevoerd naar de bijzondere constructies en beweegbare kunstwerken. Streven is om op basis van de onderzoeksresultaten het risico nader te kwantificeren.

8.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit moment is niet bekend hoe ver dit onderzoek is gevorderd, noch wat de uitkomsten daarvan zijn. Inmiddels is wel duidelijk dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn. Er kunnen aansprakelijkheidsrisicos volgen uit mogelijk gelopen gezondheidsrisicos (samenhangend met de stort van het asbesthoudend materiaal en de mogelijke verwaaiing ervan).

Impact

  • Negatieve gevolgen met betrekking tot publiciteit en imago.
  • De kans bestaat dat de relatie tussen de provincie, Dordrecht en Delta onder druk komt te staan.
  • Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims worden gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn beperkt geacht).

Maatregelen

Maatregelen zijn erop gericht om het vertrouwen tussen de betrokken partijen te herstellen.

Als resultaat van intensief bestuurlijk overleg is een driesporenaanpak ontwikkeld: 1) er is een onafhankelijk feitenonderzoek gestart; 2) er worden periodieke asbestmetingen om huidige risicos expliciet en object te maken; 3) er wordt structureel en intensief ingezet op communicatie met de omgeving om de beëindiging van de stort met ingang van 31 december 2012 vorm te geven.

Status

Het project Derde Merwedehaven en daarmee samenhangend de relatie met Delta en de gemeenten Dordrecht en Sliedrecht blijft vooralsnog een punt van aandacht en wordt strikt begeleid en aangestuurd.

9.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De omvang zal de komende jaren toenemen, vooral vanwege de voorgenomen investeringen in infrastructuur en vanwege een geraamde benutting van reserves en voorzieningen waardoor de eigen financieringsmiddelen worden beperkt. De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte worden bepaald door het rentepercentage van de leningen. Tijdelijke liquiditeitsoverschotten worden uitgezet in de geldmarkt.

Impact

Rekening houdend met het reguliere lineaire aflossingsverloop op de portefeuille langlopende leningen, bedraagt het effect van herfinanciering bij een rentestijging van 1% structureel €0,2 mln tot € 0,25 mln. Het renterisico op kortlopende uitzettingen is beperkt en wordt bepaald door marktontwikkelingen. Naar verwachting zullen decentrale overheden met ingang van uiterlijk 1 januari 2014 verplicht zullen worden deel te nemen aan de faciliteit schatkistbankieren. Dit houdt in dat de provincie alle tijdelijk overtollige middelen bij het Ministerie van Financiën rentedragend zal onderbrengen. De Staat vergoedt rente tegen het tarief waartegen het Ministerie zelf leent. Dit is momenteel lager dan de actuele geldmarktrente. Als verplicht schatkistbankieren met ingang van 1 januari 2013 zou worden ingevoerd levert dat een verlies op aan rente-inkomsten van € 0,4 mln (vanwege een lager rendement op uitzettingen van tijdelijk overtollige middelen).

Als het verplicht schatkistbankieren met ingang van 1 januari 2014 wordt ingevoerd (wat de verwachting is) dan leidt dat vooralsnog niet tot een nadeel, omdat er dan geen overtollige, middelen zijn begroot. Als de wet Houdbare overheidsfinanciën wordt ingevoerd en Zuid-Holland krijgt vanwege overschrijding van de toegestane referentiewaarde een boete opgelegd van het Rijk (deze boete wordt maximaal twee jaar in een renteloosdepot gestopt) levert dat een verlies op aan rente-inkomsten van circa € 3,0 mln.

Maatregelen

In de begroting wordt uitgegaan van een voorzichtige raming van de rente voor nieuw aan te trekken geldleningen. Daarnaast wordt periodiek beoordeeld of additioneel incidenteel dan wel structureel tot afdekking van een renterisico moet worden overgegaan. Door gebruik te maken van kredietfaciliteiten wordt het renterisico beperkt.

Status

Het renterisico op tijdelijk overtollige middelen wordt in 2013 nog beperkt door gebruik te maken van een aantal creditarrangementen. De voorwaarden hiervan zijn in overeenstemming met de bepalingen van de Wet Fido en de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo).

10.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op artikel 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld ingeval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt. De inleners­aansprakelijkheid geldt daarom niet bij diensten die een ZZPer voor Zuid-Holland verricht, zonder dat er een andere organisatie (zoals een uitzendbureau) tussenzit.

Impact

Het (rest)risico op de inlenersaansprakelijkheid is niet goed kwantificeerbaar. Door het ontbreken van ervaringscijfers, kan vooralsnog geen betrouwbare schatting worden gegeven van de impact. Tot op heden zijn geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

  • Werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven.
  • Sluiten van goede raamcontracten.
  • Hanteren van adequate, algemene voorwaarden.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

In het verleden zijn er geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

11.

Ontwikkelingen bezuiniging op regionale omroepen

Omschrijving

Door de regionale omroepen RTV Rijnmond en Omroep West is er beroep ingesteld tegen het besluit van GS om de boekjaarsubsidies met ingang van 1 januari 2013 met € 1,0 mln (per regionale omroep) ter verlagen. Dit besluit maakt deel uit van een breder pakket van bezuinigingsmaatregelen.

De omroepen hebben bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is ongegrond verklaard en vervolgens hebben de omroepen beroep aangetekend bij de bestuursrechter. Uitspraak van de bestuursrechter wordt begin 2013 verwacht. Het risico bestaat dat de bestuursrechter de omroepen (deels) in het gelijk stelt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de verlaging wordt teruggedraaid of op een later moment in werking treedt. Mocht dit risico zich voordoen en er zijn financiële consequenties voor het begrotingsjaar 2016 dan zullen aanvullende middelen moeten worden gevonden om de extra lasten als gevolg hiervan te dekken.

Impact

Maximaal € 2,0 mln (€ 1,0 mln voor Omroep West en € 1,0 mln voor RTV Rijnmond)

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn er genomen:

  • Zorgvuldige onderbouwing van het besluit om de subsidie te verlagen / ongegrond verklaren van het bezwaar; volgen van een zorgvuldige procedure.
  • Inhuren van de landsadvocaat bij beroepsprocedure bij de bestuursrechter.

Status

Een uitspraak van de bestuursrechter wordt begin 2013 verwacht. Streven is om op basis hiervan het risico nader te kwantificeren.

Op 30 mei 2012 hebben PS de herziene nota vastgesteld.
De grootste wijziging t.o.v. jaarrekening 2011 is het gevolg van de herijking van het nazorgplan 3e Merwedehaven. Hierin verschuift de aanvang van de nazorg van 2019 naar 2023. Het onderliggende (concept) nazorgplan dient inhoudelijk nog te worden doorberekend wat zeer waarschijnlijk leidt tot mutaties in het totale op te bouwen doelvermogen.
In het najaar van 2012 zal opdracht worden gegeven tot het uitvoeren van een ALM-studie zodat het bestuur van het Fonds Nazorg zich op basis van de uitkomsten hiervan kan beraden over de advisering omtrent de aanpassing van de beleggingsmix en de rekenrente.

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Voorjaarsnota 2013.

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Najaarsnota 2013.

1. Inleiding

De paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing gaat in op de vraag in welke mate de financiële positie van de pro­­­vincie toereikend is om de financiële gevolgen van risico’s die de provincie loopt op te kunnen vangen. Tweemaal per jaar (bij begroting en jaarrekening) wordt de paragraaf geactualiseerd.

De paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing is als volgt opgebouwd:

  • relevante beleidskaders (2)

  • samenvattend beeld ultimo 2013 (3)

  • overzicht van relevante risico’s (4)

2. Relevante beleidskaders

Relevante beleidskaders voor de paragraaf worden gevormd door het Besluit begroten en verantwoorden provincies en gemeenten (BBV), dat door het Rijk is vastgesteld en begrotingsspelregels bevat voor decentrale overheden.

Het BBV schrijft onder meer voor dat de begroting en jaarrekening een paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing bevat en dat hierin dient te worden ingegaan op de risico’s (die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie) en de weerstandscapaciteit (dat wil zeggen de middelen waarover de provincie be­schikt c.q. kan beschikken om niet-begrote kosten te dekken) en het beleid omtrent risico’s en weerstands­ca­paciteit. Het weerstandsvermogen beschrijft de mate waarin de provincie in staat is om met (beschikbare of beschikbaar te maken) weerstandscapaciteit, de financiële gevolgen van de onderkende risico’s op te kun­nen vangen (en wordt berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de omvang van de gekwantificeerde risico’s).

De voorschriften uit het BBV zijn door de provincie nader uitgewerkt in de Financiële verordening en de beleids­nota weerstandsvermogen en risicomanagement (beide door Provinciale Staten vastgesteld). De Financiële verordening bepaalt onder meer, dat Provinciale Staten eenmaal in de vier jaar de beleidsnota weerstandsvermogen en risico­ma­nagement vaststellen (die ten minste uitgangspunten bevat met betrekking tot het risicomanagement, het opvangen van risico’s en het bepalen van het gewenste weerstandsvermogen).

De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bevat vervolgens een aantal concrete bepalingen met betrekking tot de methodiek van risico-inventarisatie/-analyse, de samenstelling van de weerstands­capaciteit en een streefwaarde voor de minimale omvang van het weerstandsvermogen (de provincie streeft naar een weerstandsvermogen van minimaal ‘twee’; dat betekent dat de provincie ernaar streeft om voor elke euro aan onderkende risico’s circa twee euro aan weerstandscapaciteit beschikbaar te hebben).

Verder bepaalt de beleidsnota dat als een risico zich voordoet eerst onderzocht moeten worden welke oplossingen er beschikbaar zijn binnen het betreffende begrotingsdoel/-programma, alvorens er een beroep ge­daan mag worden op de algemene middelen van de provincie.

De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement maakt een onderscheid tussen structurele weer­­standscapaciteit (die primair bedoeld is om de structurele financiële gevolgen van risico’s op te kunnen vangen) en de incidentele weerstandscapaciteit (die primair bedoeld is om de incidentele financiële gevolgen van risico’s op te kunnen vangen). In lijn hiermee wordt dit onderscheid in de paragraaf Weerstands­­vermogen en Risicobeheersing ook gemaakt.

Belangrijke bepaling uit de beleidsnota is verder dat als een risico zich feitelijk voordoet, dat dan (alvorens er een beroep mag worden gedaan op de algemene middelen) eerst een oplossing dient te worden gevonden binnen het betreffende begrotingsdoel/-programma.

3. Samenvattend beeld ultimo 2013

Structurele weerstandscapaciteit en risico’s

De totale gekwantificeerde omvang van risico’s met structurele financiële gevolgen wordt ingeschat op € 22,8 mln. De structurele weerstandscapaciteit wordt ingeschat op € 68,3 mln. Dat is dus ruim voldoende om de structurele gevolgen van risico’s op te kunnen vangen (voor elke euro aan gekwantificeerde structure­le risico’s is circa € 3,00 euro aan structurele weerstandscapaciteit beschikbaar c.q. beschikbaar te ma­ken).

Hierbij dient echter wel te worden opgemerkt dat de structurele weerstandscapaciteit voor het grootste deel is opgebouwd uit onbenutte belastingcapaciteit. Dat is het verschil tussen de inkomsten die Zuid-Holland nu haalt uit het heffen van opcenten op de Motorrijtuigenbelasting en de inkomsten die Zuid-Holland zou hebben als het door het Rijk maximaal toegestane tarief zou worden geheven.

De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement schrijft voor dat voordat er een beroep gedaan kan worden op de onbenutte belastingcapaciteit, er eerst bezuinigingen worden verkend en voorgesteld aan Provinciale Staten.

Structurele weerstandscapaciteit[11]

(bedragen x € 1mln)

Bedrag

Post onvoorzien

0,5

Financiële ruimte 2014-2017

12,8

Onbenutte belastingcapaciteit[12]

55,0

Totaal

68,3

Voor een overzicht van de risico’s met structurele financiële consequenties, zie onder 4.

Incidentele weerstandscapaciteit en risico’s

De totale gekwantificeerde omvang van risico’s met incidentele financiële gevolgen wordt ingeschat op € 12,9 mln. De omvang van de incidentele weerstandscapaciteit wordt ingeschat op € 300,3 mln. Dit is dus ruim voldoende om de incidentele gevolgen van risico’s op te kunnen vangen (voor elke euro aan gekwantificeerde incidentele risico’s is € 23,28 aan incidentele weerstandscapaciteit beschikbaar c.q. beschik­baar te maken). Hierbij dient te worden opgemerkt, dat de incidentele weerstandscapaciteit voor veruit het grootste deel bestaat uit programmareserves, voor zover deze niet juridisch verplicht zijn. Voor deze programmareserves geldt wel dat ze bestuurlijk verplicht zijn (in die zin dat er bestuurlijke af­spra­ken onder liggen). Deze reserves kunnen dus alleen worden ingezet als weerstandscapaciteit door deze afspraken te heroverwegen.

Tabel: incidentele weerstandscapaciteit (bedragen x € 1 mln)[13]

 

Totaalstand

Juridisch verplicht

Totaalstand

minus juridisch verplicht

Incidenteel:

     

Algemene reserve

€ 42,8 mln

€ 0,0 mln

€ 42,8 mln

Rekeningresultaat 2013 (niet beklemd)

€ 16,5 mln

€ 0,0 mln

€ 16,5 mln

Programmareserves

€ 412,9 mln

€ 171,9 mln

€ 241,0 mln

Totaal

472,2 mln

171,9 mln

300,3 mln

Voor een overzicht van de risico’s met structurele financiële consequenties, zie onder 4.

4. Overzicht van risico’s

In 2013 hebben zich de volgende belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.

Risico’s die in 2013 zijn komen te vervallen zonder financiële consequenties:

  • Geen of verminderde afdracht gebiedsontwikkeling Zuidplas (€ 25 mln):

Eind 2013 hebben de gemeente Zuidplas en de provincie een overeenkomst gesloten waar­in alterna­tie­ven voor de bijdrage aan de hoofdplanstructuur zijn opgenomen. Daarbij is onder an­de­re gekozen voor het an­ders verdelen van verantwoordelijkheden. De gemeente hoeft geen grote voorinvesteringen meer te doen en de provincie ziet af van verdere ontwik­ke­ling van de Rottelaan als regionale verbinding. Op ba­sis van de overeenkomst hoeft Zuid­plas geen afdracht meer te leveren voor de projecten, die onder de verantwoordelijkheid van de provincie worden uitgevoerd. Het risico dat deze afdracht niet of niet vol­ledig be­schik­baar komt is daarmee vervallen.

  • Claim Hornbach (€ 18,5 mln):

Het schadeverzoek naar aanleiding van het niet verkrijgen c.q. schorsen van een bouwvergunning is ingetrokken.

  • Het risico dat Zuid-Holland alsnog subsidie moet verstrekken aan Stadsgewest Haag­lan­den en Stadsregio Rotterdam voor preventief jeugdbeleid is door gerechtelijke uitspraken komen te vervallen.

Risico’s die in 2013 zijn komen te vervallen met financiële consequenties:

  • Volledige honorering subsidieaanvraag Voordelta:

Gedeputeerde Staten hebben aangegeven bereid te zijn een subsidie te verstrekken van maximaal € 2,5 mln.

Afgesproken is dat de aanvrager, nadat de Europese Commissie de aanvraag heeft getoetst op staats­steunaspecten en Gedeputeerde Staten een herziene beslissing op bezwaar hebben vastgesteld, geen rechtsmiddelen zal aanwenden tegen een (al dan niet lagere) vaststelling van de subsidie door Gedeputeerde Staten.

De financiële consequenties van deze afspraak worden opgevangen binnen programma 3 (incidentele middelen die nog beschikbaar zijn binnen de Tijdelijke verordening stimulering Voordelta).

  • Financieel risico uittreding Delft-noord:

Er zijn afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder Zuid-Holland uittreedt. De financiële afwikk­eling wordt gedekt vanuit programma 1 (voorziening grondwaterheffing).

Risico’s die niet komen te vervallen maar wel in 2013 financiële consequenties hebben gehad:

  • Bij de Jaarrekening 2012 (in mei 2013 vastgesteld door Provinciale Staten) is een voorziening van € 8,0 mln getroffen in verband met het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties. De oorzaak ligt in meerkosten voor de provincie (als eindverantwoordelijke voor de stortplaatsen) als gevolg van een lagere rende­ments­ver­wachting. Door deze beheersmaatregel wordt het risico ten aanzien van de inmiddels gesloten stortplaatsen beheerst. Monitoring van het risico vindt plaats via de paragraaf Weer­stands­ver­mogen en Risicobeheersing.

  • In 2013 zijn de inkomsten uit de algemene uitkering van het Provinciefonds € 2,5 mln lager uitgeval­len. De oorzaak ligt in het ‘doorwerkeffect’ van onderuitputting op de Rijksbegroting 2012.

  • In 2013 zijn de inkomsten uit de opcenten Motorrijtuigenbelasting € 5,0 mln lager uitgevallen. De oorzaak ligt in autonome ontwikkelingen in het wagenpark (zoals het aantal belastingplichtige auto’s).

Daarnaast zijn de volgende risico’s toegevoegd:

  • Deelname aan ROM-Z (m.i.v. dec. 2013: InnovationQuarter):

De provincie neemt deel aan de regionale ontwikkelingsmaatschappij Zuidvleugel.

Het risico bedraagt maximaal de omvang van het gestorte aandelenkapitaal (€ 10,0 mln).

Het risico van waardedaling van het aandelenkapitaal zal pas na enkele jaren manifest kunnen wor­den, omdat de ROM zich nog in een opstartfase bevindt. Ter beheersing van het risico van waardedaling is er een reserve ingesteld die door middel van jaarlijkse stortingen wordt opgebouwd tot een bedrag van € 10,0 mln in 2020.

  • Risico deelname gemeenschappelijke regelingen: GR Midden-Delfland:

Het Rijk is een juridische procedure gestart tegen het besluit van de Midden-Delflandraad voor vaststelling van een kostendekkende uittreedvergoeding.

  • Indexering BDU:

De minister heeft aangegeven de Brede Doeluitkering Verkeer & Vervoer niet meer te gaan indexeren, terwijl de provincie daar in een aantal concessies juridisch bindende afspraken over heeft ge­­maakt.

  • Voor een bedrag van € 1,6 mln zijn er in 2013 nieuwe claims ingediend bij de provincie.

Tabel 1: informatie over risico’s

 

Structureel / incidenteel

Max. Schade

(bedragen x € 1 mln)

Kans van

optreden

Omvang/

jaar

(bedragen x € 1 mln)

Termijn (kwar-talen)

Begrotings-
doel

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

s/i

> 20,0

50-75%

12,5

> 4

6.1

2.

Lagere opbrengsten MRB

s/i

15,0

25-50%

5,6

< 4

6.2

3a.

3b.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgron­din­gen

Mogelijke schadeclaim ontgronding Zevenhuizer­plas

i

i

10,0

20,0

0-25%

0-25%

1,3

2,5

4

2.4

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

2,1

4

5.2

5.

Risico’s ontwikkelopgave EHS/recreatiegebieden

  • beheer EHS

  • beheer recreatiegebieden

s

 

3,5

n.t.b

 

50-75%

n.t.b.

 

2,0

PM

 

>4

>4

 

1.3/1.4

 

6.

Afvalverwerkende en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

i

15,0

0-25%

1,9

 

4

 

2.4

7.

Garantstelling personenvervoer over water

i

7,0

0-25%

1,9

>4

2.3

8.

Risico deelname GR Midden-Delfland

s

15,0

0-25%

1,9

4

1.3

9.

Deelname Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

1,4

4

3.4

10.

De Europese commissie kan subsidiabiliteit uitga­ven betwisten:

  • lopende projecten
  • inmiddels afgeronde projecten

i

 

 

 

10,2

13,9

 

 

0-25%

≈ 0

 

 

1,2

0,0

 

 

>4

4

 

 

3.4

11.

Niet tot uitvoering komende infrastructurele projecten

i

9,0

0-25%

1,1

4

2.2

12.

Renterisico

s/i

2,0

25-50%

0,8

>4

1-6

13.

Omgevingsrisico’s vergunningverlening en- handha­ving

i

5,0

0-25%

0,6

4

2.4

14.

Maatregelen Rijk EMU-saldo

i

100,0

≈ 0

0,0

>4

6.1

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties (nog niet overgedragen stortplaatsen)

i

18,5

≈ 0

0,0

 

>4

 

3.3

16.

Meerkosten PMR 750 ha

i

15,3

≈ 0

0,0

4

1.3

17.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

10,0

≈ 0

0,0

>4

3.4

18.

Deelname risico ROM Zuidvleugel BV

(m.i.v. dec. 2013: InnovationQuarter)

i

10,0

≈ 0

0,0

>4

3.4

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

8,5

≈ 0

0,0

>4

6.1

20.

Onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit regionale omroepen

i

2,0

≈ 0

0,0

>4

4.6

21.

Ontwikkeling bezuiniging regionale omroepen

i

2,0

≈ 0

0,0

4

4.6

22.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

7,2

n.t.b.

PM

4

1.2

23.

Noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering

i

2,2

n.t.b.

PM

4

1-6

24.

Afschaffen indexatie BDU

s

n.t.b.

25-50%

PM

>4

2.3

25.

Derde Merwedehaven

i

n.b

0-25%

PM

>4

2.4

26.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

i

n.b.

0-25%

PM

4

1-6

27.

Doorlevering gronden TBO’s

i

n.t.b.

n.t.b.

PM

>4

1.3

28.

Bezwijken bijzondere constructies wegen

s/i

n.t.b.

n.t.b.

PM

4

2.1

 

Totaal structurele risico’s

     

22,8

   
 

Totaal incidentele risico’s

     

12,9

   

Toelichting op de tabel:

1. Lagere uitkering Provinciefonds

2. Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

3a. Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen en
3b. Schadeclaims ontgronding Zevenhuizerplas

4. Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

5. Financiële risico’s ontwikkelopgave EHS / recreatiegebieden

6. Afvalverwerkende en BRZO / IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

7. Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

8. Risico deelname gemeenschappelijke regelingen: GR Midden-Delfland

9. Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

10. De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

11. Niet tot uitvoering komende grote infrastructurele projecten

12. Renterisico

13. Omgevingsrisico’s vergunningverlening en handhaving

14. Maatregelen Rijk in verband met EMU-tekort

15. Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

16. Risico’s PMR - 750 ha natuur en recreatie

17. Deelnamerisico ROM-D Capital BV

18. Deelnamerisico ROM Zuidvleugel B.V. (m.i.v. dec. 2013: InnovationQuarter)

19. Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

20. Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit Regionale omroepen

21. Ontwikkelingen bezuiniging op regionale omroepen

22. Herinrichting Meeslouwerplas

23. Noodzakelijk beroep op aansprakelijkheidsverzekering

24. Afschaffen BDU-indexatie door Rijk

25. Derde Merwedehaven

26. Inlenersaansprakelijkheidsrisico

27. Doorlevering gronden aan TBO's

28. Meerkosten als gevolg van bezwijken bijzondere constructies onder provinciale wegen

Het bedrag aan financiële ruimte is berekend door het gemiddelde te nemen van de financiële ruimte in de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 zoals opgenomen in de begroting 2014 (pagina 12). De onbenutte belastingcapaciteit is berekend door het gemiddelde van de onbenutte belastingcapaciteit, zoals opgenomen in de begroting 2014 (pagina 132).
De actuele onbenutte belastingcapaciteit is berekend als het gemiddelde van de onbenutte belastingcapaciteit in de jaren 2014 t/m 2017 (zie p.132, Begroting 2014). De financiële ruimte is berekend als gemiddelde van de financiële ruimte in de jaren 2014 t/m 2017 (zie p. 12, Begroting 2014).
De programmareserves maken deel uit van de weerstandscapaciteit voor zover deze niet juridisch verplicht zijn (bijvoorbeeld in de vorm van niet uit de balans blijkende verplichtingen).